Schrijftips – een gratis workshop

Veel sites en blogs die over schrijven gaan bieden schrijftips aan om de beginnende schrijver op weg te helpen. Je kent die lijstjes misschien wel: show, don’t tell; laat je werk door iemand anders lezen als het af is en oriënteer je goed op het fonds van de uitgeverij die jij op het oog hebt. Dit zijn allemaal belangrijke tips, maar omdat je die wijsheden eigenlijk overal wel kunt vinden, hebben wij het eens over een andere boeg gegooid. In de hoop dat we beginnende schrijvers een paar stapjes vooruit kunnen helpen, hebben wij een gratis mini-workshop geschreven: Hoe schrijf je een verhaal of roman.


Thema

Het thema van je verhaal of roman is meestal niet het eerste waar je aan denkt als je net een sprankelend nieuw idee hebt. Je zult in eerste instantie waarschijnlijk eerder een scene in je hoofd hebben, of een personage, of het doel van je personages. Toch is het geen gek idee om vanaf het begin stil te staan bij het achterliggende thema van het verhaal dat je wilt gaan vertellen. Een thema kan namelijk helpen om sturing te geven aan de verhaallijnen, en het kan je helpen om alleen de nodige verhaallijnen uit te werken en ruis te elimineren.

Een thema kan omschreven worden als de onderliggende gedachte in het verhaal. Om een voorbeeldje te geven: het thema in Harry Potter zou kunnen zijn dat goed het uiteindelijk wint van het kwaad. Een verhaal over een natuurramp zou als thema milieubewustzijn kunnen hebben. Nog een paar veelvoorkomende voorbeelden zijn:

  •  Verzoening of boetedoening (Atonement van Ian McEwan; Misdaad en Straf van Dostojewski)
  • (Maatschappelijk) onrecht (The Hunger Games van Suzanne Collins)
  • Vriendschap (De Vriend van de Koning van Rianne Lampers)
  • Leven en dood (All the bright places van Jennifer Niven)
  • Volwassen worden (De Brief voor de Koning van Tonke Dragt)
  • Oorlog en vrede (De Aanslag van Harry Mulisch, Oorlog en Vrede van Tolstoj)
  • De zin en onzin van religie (His Dark Materials van Philip Pullman)
  • Liefde…

Zoals je ziet gaan thema’s vaak over de diepte-ervaringen die mensen bezighouden. Bij het schrijven is het belangrijk dat je de thema’s dicht bij jezelf zoekt. Wat vind jij belangrijk om te bespreken met je lezers? Waar wil je het graag over hebben?

Oefening 1: Bedenk een thema waar je wel eens over zou willen schrijven; doe dit in één of een paar steekwoorden. Bijvoorbeeld: verliefdheid; vriendschap; ruzie; liefdesverdriet; strijd tegen goed en kwaad; geheimen…


Plot en verhaal

Het verhaal van een boek en de plot van het boek zijn begrippen die elkaar sterk overlappen, maar helemaal hetzelfde zijn ze ook niet. Wel heb je meestal beide onderdelen nodig voor een boek dat goed in elkaar zit. Deze workshop is bedoeld om je te helpen om het verhaal van je boek onder woorden te brengen en om je te laten zien hoe je een plot kunt opbouwen. Om te beginnen is het belangrijk om eerst eens naar het verschil te kijken.

 Het verschil tussen verhaal en plot

Het verhaal van je boek is de volledige aaneenschakeling van gebeurtenissen in een werk van fictie, op de manier waarop de lezer dit volledige plaatje uiteindelijk in zijn hoofd heeft na het lezen. Denk bijvoorbeeld aan één van de boeken van de Harry Potter-serie: het verhaal begint op het moment dat Harry in zijn kamer zit te wachten tot hij weer naar Hogwarts kan vertrekken, tot de laatste bladzijde, waarin weer een schooljaar is afgesloten. Alle gebeurtenissen daar tussenin – groot en klein – vormen het verhaal.

De plot is een ketting van gebeurtenissen, waarbij elke gebeurtenis een oorzaak heeft. Elke gebeurtenis wordt op zijn beurt de oorzaak van de volgende gebeurtenis, uiteindelijk leidend naar de ontknoping van het verhaal. De plot begeeft zich soms ook buiten de grenzen van het verhaal, naar verleden en toekomst. Denk daarbij weer aan Harry Potter: de gebeurtenissen met Voldemort begonnen al ver voordat Harry zelf werd geboren; toch hebben al die gebeurtenissen nog invloed op het verhaal. Je kunt je plot zien als de rails waarover de trein van je verhaal rijdt.

Maar hoe kom je aan een idee voor je verhaal? Ideeën komen zelden helemaal kant en klaar in je hoofd. Je begint met één idee, of met een half idee, en van daaruit ontwikkelt de gedachte zich. Vaak gebeurt dat tijdens het schrijven zelf. Je zult zien dat, wanneer je aan het schrijven bent, het verhaal zich vaak “vanzelf” lijkt te schrijven.

Oefening 2: Probeer twee tot drie verhaalideeën te formuleren die aansluiten op het door jou gekozen thema. Hou het kort: niet langer dan een paragraaf, zodat je het idee kernachtig formuleert. Nog geen inspiratie? Je kunt ook een van de onderstaande ideeën als uitgangspunt nemen en daar je fantasie op loslaten.

 Verhaalideeën

  • Twee personages durven elkaar niet op te biechten dat ze verliefd op elkaar zijn, waardoor er telkens misverstanden ontstaan. Dan ontmoeten ze plotseling Personage 3 en draait hun leven op de kop…
  • Twee broers komen erachter dat ze allebei een andere vader hebben. De ene broer besluit om zijn echte vader op te zoeken, en ontdekt dat….
  • De vriendschap van twee personages wordt op de proef gesteld als Personage 1 een gevaarlijk geheim ontdekt. Kan hij/zij de ander eigenlijk wel vertrouwen…?
  • Een personage ontdekt dat een geheime dienst/een kwade macht op het punt staat om het land omver te werpen. Maar als hij snel is, kan hij misschien nog….
  • Twee personages worden verliefd op elkaar en hebben steeds nieuwe dromen waarin het lijkt alsof ze elkaar al veel langer kennen. En waar komt die mysterieuze man met zijn hoed vandaan…?
  • Een personage wordt op een busstation (of op een andere, merkwaardige plaats) wakker en ontdekt dat hij of zij aan geheugenverlies lijdt. Hij gaat op zoek naar wie hij is, en wat er is gebeurd.
  • Drie goede vrienden vertrekken op een avontuurlijke reis. Ze beginnen enthousiast, maar al gauw komen ze erachter dat het niet zo makkelijk is constant met elkaar opgescheept te zitten. Dan doen ze een onverwachte ontdekking…
  • Al jaren is het oorlog in het land, en de inwoners van een dorpje hebben zich in een uitgebreid grottenstelsel in de bergen verscholen, uit angst voor de vijandelijke troepen. Dan dwaalt er op een dag zomaar een vreemdeling hun geheime kamp binnen…

Personages

Zonder personages geen verhaal. Een verhaal bestaat omdat er iets met iemand gebeurt, waardoor diegene zich moet aanpassen en actie moet ondernemen. Personages zijn tegelijk het kloppende hart van je verhaal. Je kunt een relatief saai of gewoontjes plot hebben en het toch een leuke leeservaring maken, omdat je personages hebt die bijvoorbeeld heel grappig zijn (Dora van Toon Telligen). Personages heb je in verschillende soorten en maten: vrijwel altijd is er sowieso sprake van de hoofdpersoon, de tegenstander, en bijpersonages. (Dus: Harry, Voldemort, Ron en Hermione en de rest van de mensen). Wie je kiest als personage, vooral als hoofdpersoon, is bepalend voor de sfeer van je verhaal: een vijftienjarig meisje brengt een andere “stem” dan een oude man.

Oefening 3: Om je personages te leren kennen, is het altijd handig om een korte biografie te schrijven. Daarbij is het handig om te bedenken hoe iemand eruit ziet, maar nog belangrijker is het om iemands achtergrond, hobby’s, rare tikjes en goede en slechte eigenschappen voor jezelf op een rijtje te zetten.

Bijvoorbeeld: Elisabeth is negentien en heeft een verontrustende gave: ze kan de gedachten van anderen horen. Ze woont in een studentenhuis in Amsterdam en blijft het liefst alleen op haar kamer. Ze heeft een broer van vijftien waarmee ze slecht door één deur kan. Haar kat heet Baron Fluffenstein. Elisabeth kan goed koken en wil uiteindelijk haar eigen bakkerij in de binnenstad beginnen.

Iedereen wil altijd iets. Hetzelfde geldt voor jouw personages. Een deel van deze motivatie is al duidelijk geworden toen je de plot bedacht, maar mensen willen altijd nog iets méér. Harry wil Voldemort verslaan, maar hij wil wel meer dingen: hij wil zijn tentamen halen, hij wil een meisje naar het bal vragen; hij wil spijbelen omdat hij vindt dat hij wel iets belangrijkers te doen heeft… Of Frodo wil in The Lord of the Rings de ring vernietigen, maar eigenlijk wil hij de ring ook zelf om doen. Wat je personages willen hoeft niet altijd zo mooi en verantwoordelijk te zijn. Als je hoofdpersoon ook minder nette dingen wil, als hij of zij een schaduwkant heeft, dan wordt het een interessanter personage.

Oefening 4: Beschrijf de motivatie van je hoofdpersoon en dat van je tegenstander op. Doe dat in een zo kort en duidelijk mogelijke zin: “Annabel wil in het geheim foto’s maken van haar vriendin Lisa, die vreemdgaat, zodat zij dat aan Lisa’s vriendje Bram kan laten zien. Stiekem wil ze dat Bram het met Lisa uitmaakt zodat zijzelf met hem kan gaan.” Het thema kan in zo’n verhaal “Onbeantwoorde liefde” of “jaloezie” zijn.

Oefening 5: Onderwerp al je personages aan een interview. Natuurlijk zijn je hoofdpersonen de belangrijkste personages om aan een uitgebreid vragenvuur te onderwerpen, maar je kunt dit ook doen met al je bijpersonages, als je dat wilt. Het doel is dat je een goed idee krijgt van alle personen die in jouw verhaal van belang zijn. Zelfs als je een aantal van de details niet terug laat komen in het uiteindelijke verhaal, zal je merken dat het makkelijker is om de personages levendig te beschrijven als je deze dingen van ze weet. Denk aan standaardvragen als “Hoe heet je?” en “Hoe oud ben je?”, maar ook aan zaken als: “Als je één item mee mocht nemen naar een onbewoond eiland waar je een week zou moeten bivakkeren, wat zou dat dan zijn?”.


Aan de slag

Je kent je plot, je weet welk thema je wilt aankaarten, je personages zijn ontleed en hebben weinig geheimen meer voor je. Kortom: het is tijd om te gaan schrijven. Sommige mensen ervaren een soort blokkade bij het starten: nu het er echt van moet komen, lijken alle eerste zinnen ineens verkeerd. Anderen maken juist een vliegende start en stranden dan halverwege, zonder nog te weten hoe ze de eindstreep moeten halen. Daarom is het belangrijk om enige structuur in je schrijfplan aan te brengen.

Hoe je precies je plot opbouwt en hoe je het beste vooruit kunt plannen zijn onderwerpen waar hele boekwerken over geschreven zijn. Voor deze workshop houden we het relatief simpel. Heel veel romans en korte verhalen volgen een min of meer ‘vastgesteld’ stramien. Niet omdat het per se moet, maar omdat verhalen al sinds de oude mythen en legenden spannend worden door opgewekte verwachtingen en hindernissen. Als je die algemene structuur in een checklist zou samenvatten, zou het er ongeveer zo uit zien:

  • Er is een status quo, die plotseling, onverwacht, doorbroken wordt
  • De personages reageren op deze eerste onverwachte omstandigheid en gaan proberen een probleem op te lossen
  • Het probleem wordt opgelost, maar er komt een ander probleem voor in de plaats. Of: het probleem wordt niet opgelost en blijkt nog ingewikkelder te zijn dan de personages dachten
  • Al gauw wordt duidelijk dat elke stap bij het oplossen van het probleem (of het bereiken van het doel; het ontrafelen van een geheim, enzovoort) een bepaalde prijs heeft voor de personages. Deze prijs wordt steeds moeilijker te betalen, totdat de personages voor een cruciale keuze komen te staan, of op een kruispunt aankomen waarbij het alles of niets is.
  • Het doel is (deels) bereikt (of juist niet?), maar er zit een rauw randje aan: niet alles is zo afgelopen als het had moeten gaan; de prijs voor de overwinning was hoog. Er volgt een afwikkeling om de rust in het verhaal terug te brengen.

Oefening 6: Kies een emotie als startpositie voor je hoofdpersoon. Is hij of zij aan het begin van je verhaal boos, opgewonden, triomfantelijk, verdrietig, gespannen, wild…?


Openingszin

Er was eens… De eerste zin waarmee je begint is belangrijk. Het moet boeiend genoeg zijn om de lezer over te halen om verder te lezen! Vaak begin je daarom middenin een gebeurtenis of aan het begin van een gebeurtenis, zodat je gelijk goed kunt uitpakken. Maar je kunt er natuurlijk ook voor kiezen om te beginnen met een rustige beschrijving om de sfeer neer te zetten. Ik ben in mijn boekenkast gekropen om een paar openingszinnen te vinden. In willekeurige volgorde:

  •  ‘… en dit,’ zei dr. Simiak, ‘is dan de materie-transmitter.’ (Kruistocht in Spijkerbroek)
  • Tiuri lag geknield op de stenen vloer van de kapel en staarde naar de bleke vlam van de kaars die voor hem stond. (Brief voor de koning)
  •  Door alles wat ik had moeten doorstaan was ik triest en somber geworden (Leven van Pi)
  •  Later dacht Jasje wel eens dat het allemaal zo was gelopen omdat hij van handige dingetjes hield. (De gevleugelde kat)

  Oefening 7: Bedenk een openingszin die jij interessant of spannend vindt, of laat je inspireren door de volgende openingszinnen:

  • Ze liep over straat alsof ze een pauw was.
  •  Volgens mij ben ik gisteren gestorven.
  •  Hoewel het eigenlijk niet netjes is, zit ik Kathleen al de halve middag aan te gapen.
  •  De Jazzmuziek gonsde om hem heen, een meisje in een rode jurk schuurde tegen hem aan, maar hij kon zijn gedachten niet losrukken van het gesprek dat hij die middag had gevoerd.
  •  De regen gutste met bakken uit de lucht en ik stond er lijdzaam onder.
  •  Wie niet sterk is moet slim zijn, dacht Johannes, en hij had het vermoeden dat het andersom ook wel zou werken.
  •  Annabel was het soort meisje dat altijd mooier was dan de rest. Ik was het type meisje dat stil in een hoek stond en jaloers was op haar beste vriendin.
  •  Iedereen heeft af en toe recht op een wonder.
  •  ‘In het uiterste geval kunnen we altijd nog de fik erin zetten,’ zei Mark ernstig, terwijl hij naar het kasteel wees.
  •  De dag dat ik Peter ontmoette was de dag dat mijn leven een andere wending nam.

Perspectief

Voordat je gaat schrijven, moet je kiezen op welke manier je het verhaal gaat beschrijven. Daarvoor zijn verschillende opties. De meest gebruikelijke zijn: derde persoon, eerste persoon, voltooid verleden tijd of tegenwoordige tijd. Als je in de derde persoon krijgt, heb je dus: “Esther haalde diep adem, kneep haar ogen stijf dicht en sprong in het koude water.”

In de eerste persoon wordt dat: “Ik haalde diep adem, kneep mijn ogen stijf dicht en sprong in het koude water.”

Beide vormen zijn hier in de voltooid verleden tijd geschreven. Deze vorm kom je vrijwel het meest tegen in boeken.

In de tegenwoordige tijd wordt het: “Ik haal diep adem, knijp mijn ogen stijf dicht en spring in het koude water.”

Eigenlijk maakt het niet veel uit welke tijdsvorm en welke invalshoek je kiest; het is vooral afhankelijk van je eigen smaak. Een voordeel van de derde persoon (hij/zij) is, dat je gemakkelijk meerdere personages als hoofdpersoon kunt gebruiken, omdat je niet gebonden zit aan de “stem” van de verteller, zoals in de eerste persoon (ik-persoon). Een voordeel van de eerste persoon is dat het persoonlijker is, en dat je je als lezer echt goed kan identificeren met de “spreker”. Dat laatste geldt ook voor de tegenwoordige tijd: dat geeft het verhaal iets onmiddellijks, het betrekt je direct bij de gebeurtenissen. Daarom wordt veel jeugdliteratuur ook zo geschreven.

Oefening 8: Probeer je gekozen openingszin eens uit in verschillende perspectieven. Welke klinkt voor jouw gevoel het beste?


Je hebt nu alle “ingrediënten”  voor een verhaal bedacht. Ga aan de schrijf!

Advertenties